Elfje Lief verhaaltjes

 

 

Verhaaltjes elfje Lief, heb je een vraag? Stuur deze naar: info@kasteelvolverhalen.nl

 

WAS

  

 

            

 

Het kerstverhaal 2015,    vertelt door Elfje Lief…

 

Het was winter in Elfjesland. Het was nog nooit zo koud geweest. Tenminste dat vertelde de elf Johannus. En die kon het weten, want Johannus was al zo oud, dat geen van de andere elven zich Elfjesland kon herinneren zonder hem.
‘We moeten meer hout hebben om goed de winter door te kunnen komen,’ had hij tegen de Fabelia, de elvenkoningin gezegd. En de elvenkoningin had goed naar Johannus geluisterd en daarom maakte ze al snel bekend dat de zes sterkste elven de opdracht van haar zouden krijgen om hout te gaan sprokkelen.
En zo vertrokken de volgende dag de zes sterkste elven naar het grote bos bij de Paddenvennen, want daar lag meestal heel veel sprokkelhout.
De drie allersterkste elven trokken de grote kar voort, en de andere drie duwden de zware kar vooruit.
‘We hebben nog niet eens sprokkelhout geladen, en die kar is nu al loeizwaar,’ mopperde een van de elven die duwden.
‘Niet zo mopperen Egilius, het is nog maar een klein stukje en dan zijn we er. Dan zal je zien, dat het uiteindelijk toch wel meevalt,’ riep de sterkste van het stel tegen hem. ‘Als je maar even doorzet.’
Elf Egilius was het er niet mee eens en hij liet dat ook merken.
‘Dat kan jij gemakkelijk zeggen Alpinius, jij bent de sterkste van ons allemaal.’
‘Later als je wat ouder bent, dan wordt je misschien wel net zo sterk als ik Egilius, maar nu moet je het er mee doen. Kom, laten we maar vlug aan het werk gaan, zo veel te eerder hebben we onze kar vol met sprokkelhout en dan kunnen we op tijd terugkeren naar Elfjesland. Volgens het weerbericht gaat het vandaag sneeuwen, en ik moet er niet aan denken dat we deze kar, vol geladen met sprokkelhout door de sneeuw naar huis moeten duwen.’
‘Nee, ik ook niet,’ zei Egilius.
Terwijl de andere elven druk bezig waren om stapeltjes te maken van de gevonden takken, hoorde Alpinius een raar geluid. Het leken wel stemmen en ook meende hij dat hij iemand hoorde huilen.
‘Hebben jullie dat ook gehoord?’ zei hij tegen de anderen.
‘Wat moeten wij gehoord hebben?’ vroeg een van de elven.
‘Uh… niets, ik dacht toch echt… Enfin, ik zal me wel hebben vergist.’
Maar Alpinius wist zeker dat hij zich niet had vergist, en ging op onderzoek uit. De andere elven hadden dat niet eens gemerkt, die waren veel te druk met het verzamelen van hout.
Even later stond Alpinius voor een van de dikste bomen die bij de Paddenvennen te vinden waren. Toen hij achter de boom keek zag hij twee verkleumde elven zitten, helemaal ineengedoken. Ze zaten heel dicht tegen elkaar aan en ze hielden elkaar stevig vast.
‘Goede middag,’ zei Alpinius. ‘Waar komen jullie vandaan?’
‘Van ver, van heel ver,’ antwoordde de vrouwelijke elf geschrokken.
‘Ja, dat had ik al gezien… jullie zijn niet van hier,’ zei Alpinius.
‘Nee, dat klopt wij komen uit Elvenrijk.’
‘Zo, zo,’ zuchtte Alpinius. ‘Uit Elvenrijk… was daar niet iets heel erg naars aan de hand? Ik heb daar iets over gelezen in de krant van vorige week.’
‘Dat klopt,’ antwoordde de mannelijke elf. ‘In Elvenrijk is men het niet meer met elkaar eens. En sinds vorige week heeft de regering besloten dat alle elven waarvan de voornaam met de letter M of de letter J begint, geen elvenkindjes mogen hebben. De elven die al een kind hebben, moeten dat afstaan aan de elf die begint met de letter H, en dat is er maar één, want dat is Herodikan de koning van Elvenrijk. De elvenkinderen zullen aan het hof moeten dienen of zullen worden opgeleid tot soldaat.’
‘Ho even,’ zei Alpinius. ‘Dus als ik het goed begrijp zijn jullie op de vlucht?’
‘Klopt…’ zuchtte de mannelijke elf.
‘Dat is niet zo mooi. Hoe heten jullie eigenlijk?’’
‘Dit is mijn vrouw Mariana en ik ben haar man Josikan…’
‘Dat snap ik, uh… ik bedoel, dat jij haar man bent. Maar wat ik niet begrijp is dat jullie op de vlucht zijn. Ik zie toch echt nergens een elvenkind.’
Mariana stond op en toen zag Alpinius dat ze een elvenkind in haar buik droeg.
‘Hoe lang nog?’ vroeg hij.
‘Niet lang meer,’ zei Mariana en een dikke traan rolde over haar wang. ‘We kunnen nergens heen en het wordt koud. Veel te koud voor een pasgeboren elvenkindje.’
‘Dat is inderdaad wel een probleem, maar wat zijn jullie plannen?’ vroeg Alpinius aan Josikan.
‘Hebben we niet. We weten niet waar we heen kunnen.’
‘Dat is niet zo mooi Josikan. Ik denk dat het maar het beste is dat jullie met ons meegaan ’ stelde Alpinius voor.
‘Met ons… wie zijn ons?’ vroeg Mariana.
‘Ons dat zijn wij, uh we zijn met ons zessen, zes elven. We sprokkelen hout, daarginds verderop, aan de andere kant van de Paddenvennen. Maar wat dom van me, laat ik me eerst maar eens voorstellen, Alpinius uit Elfjesland. Aangenaam.’
‘Elfjesland?’ zei Mariana geschrokken. ‘Maar… dat kan niet, ik bedoel… onze koning en jullie koningin hebben hoogoplopende ruzie. Nee, dan kunnen we niet met jullie meegaan hoor. Dat is veel te gevaarlijk.’
‘Te gevaarlijk?’ zei Alpinius verbaasd. ‘Hoezo te gevaarlijk?’
‘Is dat dan niet zo?’ vroeg Josikan.
‘Ik zou niet weten waarom?’
‘Maar worden we dan niet gevangen genomen?’’
‘Beste Josikan, wie heeft jou die onzin vertelt.’
‘Dat wordt ons verteld door de neef van koning Herodikan, de minister van buitenlandse elvenzaken van Elvenrijk.’
‘Wat een onzin,’ zei Alpinius met een schaterlach. ‘Nee hoor, er wordt bij ons niemand gevangen genomen, ook niet uit Elvenrijk. Dit heb ik nog nooit gehoord. Ga nou maar met me mee.’
Toen Mariana op wilde staan greep ze plotseling met haar hand naar haar buik.
‘Oef… ik weet het niet Josikan, het voelt opeens zo raar.’
‘Het zal toch niet,’ zuchtte Josikan geschrokken.
‘Ik denk van wel… Oef….uh…’ zei Mariana.
‘Rustig blijven, vooral rustig blijven. Ik ga meteen hulp halen. Momentje… ik ben zo weer terug,’ riep Alpinius paniekerig, en hij rende weg in de richting van de Paddenvennen, waar de andere elven aan het werk waren.
‘Jongens… hulp gevraagd, ‘schreeuwde hij van veraf, en even later legde hij de elven uit wat er aan de hand was.
‘Nee, daar komt niets van in,’ reageerde Egilius. ‘We hebben de opdracht van koningin Fabelia om hout te gaan sprokkelen en daar houd ik me aan. Wie is het met me eens?’
De andere elven uit Elfjesland keken elkaar vragend aan.
‘Wie het met mij eens is, die steekt zijn vinger op. En bovendien als we nu geen hout meebrengen…’
‘Dan halen we dat toch morgen op,’ stelde Alpinius nog voor.
‘Nee, vandaag moet het gebeuren. Morgen ligt er misschien wel veel te veel sneeuw en dan kunnen we het hout niet meer terugvinden,’ zei een van de andere elven.
‘Jongens… alsjeblieft. Wat is dit nou?’ zei Alpinius teleurgesteld.
‘Alpinius, ik ben het met Egilius eens. Waarom zouden we die elven uit Elvenrijk helpen. Ik weet zeker, als het andersom zou zijn, dat ze ons ook met onze eigen problemen zouden laten zitten,’ zei een andere elf.
‘Hoe kun je dat nou weten, wat een onzin,’ sputterde Alpinius nog tegen, maar al vlug was het duidelijk dat hij er alleen voor stond. Alleen de allerjongste elf Johan, de kleinzoon van de alleroudste elf Johannus wilde Alpinius wel helpen.
Eigenlijk had Alpinius daar niet zo veel aan, want hij wilde liever hulp van de sterkste elven, want die konden het beste de kar trekken. Want zo had hij het bedacht, ze zouden Mariana voorzichtig op de kar leggen, op een soort bed dat gemaakt was van takken en bladeren. En daarna zouden ze naar Elfjesland gaan.’
‘Komt niets van in,’ zei Egilius, toen Alpinius zijn plan had uitgelegd.
‘Ik denk het toch wel Egilius, anders…’
‘Wat anders?’ zei Egilius. ‘Nou zeg op…’
‘Uh… dat je me niet wilt helpen, dat is tot daar aan toe, maar ik zal en moet die kar hebben.’
‘Ook daar komt niets van in….’ En ook de andere elven waren het met Egilius eens.
Alpinius zag wel in dat dit geen zin had en hij ging samen met de kleine Johan terug naar Mariana en Josikan, die nog steeds bij de dikste boom van de Paddenvennen op Alpinius zaten te wachten.
‘Is dat alle hulp?’ vroeg Josikan teleurgesteld toen hij de kleine Johan zag.
‘Tja…’
‘Maar jullie waren toch met zes elven?’ vroeg Mariana.
‘We zullen het hier mee moeten doen Mariana. Hoe gaat het?’ zei Alpinius.
‘Het gaat echt niet lang meer duren hoor,’ antwoordde ze.
Alpinius, Josikan en Johan maakten met grote takken en bladeren een soort draagbaar en Mariana werd daar voorzichtig opgelegd.
‘Gaat dit wel lukken?’ vroeg Josikan zich bezorgd af.
‘Het moet ons lukken…’ antwoordde Alpinius vastbesloten.
En plotseling leek het wel of Alpinius de kracht van twee beren had. Met de kleine Johan en Josikan als dragers aan de achterkant en met Alpinius voorop sjouwden ze door het bos, in de richting van Elfjesland.
‘Gaat het nog?’ vroeg Alpinius bezorgd aan Mariana
‘Ja hoor… het gaat nog wel… oef…’
‘Weet je het zeker?’ vroeg Josikan.
‘Loop nou maar door…’
Het was ondertussen donker geworden en Alpinius wist in zijn hart dat ze nooit op tijd terug zouden zijn in Elfjesland. Er zat niets anders op dan ergens een schuilplaats te zoeken. Gelukkig wist hij dat er in de buurt nog een oude stal was, die al tijden niet meer werd gebruikt.
‘We gaan een rustplaats zoeken,’ riep hij tegen Josikan en Johan. ‘Dit gaan we niet redden.’
‘Ook niet als we ons nog eens extra inzetten?’ vroeg de kleine Johan.
‘Nee, wat we ook proberen, het heeft geen zin om nog verder te gaan.’
Mariana was het met Alpinius eens. Ze was te moe om nog verder te reizen.
Met was stro en een paar planken werd een bed voor Mariana gemaakt en de kleine Johan had in een hoekje van de stal nog een oude voederbak gevonden.
‘Wat wil je daarmee?’ vroeg Alpinius
‘Voor de kleine elf… als hij geboren is. Hij zal toch ergens in moeten liggen.’
‘Johan, je bent al net zo slim als je opa Johannus… Hij zal trots op je zijn,’
antwoordde Alpinius.
De kleine Johan bloosde er van.
Het was kerstnacht en precies om twaalf uur werd de kleine elf geboren
‘Hoe heet hij?’ vroeg Alpinius aan Mariana en Josikan. ‘Of hebben jullie nog geen naam?’
‘Jawel hoor,’ zei Mariana en ze keek Josikan aan, die goedkeurend knikte.
‘We noemen onze zoon Johan Alpinius…’
Alpinius en de kleine Johan omhelsden elkaar en even later stonden ze bij de oude voederbak en keken naar de pasgeboren elf. Wat was hij mooi, en ook zo klein.
‘Johan Alpinius, welkom… dat je mag opgroeien in liefde en in vrede,’ zei Alpinius plechtig.
‘En wordt vooral een gelukkige elf… net als ik,’ voegde de kleine Johan er nog aan toe.
Het was een koude maar mooie nacht. De sterren schitterden aan de hemel en het leek wel of de maan naar hen knipoogde.
De volgende ochtend kwam Koningin Fabelia hoogstpersoonlijk naar de oude stal. Egilius had haar verteld wat er was gebeurd en de koningin was heel erg boos geworden. Ze had zich zorgen gemaakt, maar het was te laat om nog op zoek te gaan. Maar toen het ochtend was geworden, was ze meteen naar de Paddenvennen vertrokken, ondanks dat het ondertussen was gaan sneeuwen. De oude Johannus was met haar meegegaan. En toen ze uit de oude stal een rookpluim zagen dwarrelen en een elvenkindje hoorden huilen wisten ze dat ze Alpinius en de kleine Johan hadden gevonden.
‘Gelukkig,’ dacht de koningin. ‘Daar hebben ze kunnen schuilen.’
Toen ze de stal binnengingen zagen ze de kleine Johan en Alpinius bij de oude voederbak staan en in de hoek zat Josikan, die zijn arm om Mariana heen had geslagen om haar te beschermen tegen de kou.
‘Welkom in Elfjesland,’ zei de koningin tegen Mariana en Josikan. ‘Ik heb gehoord dat jullie uit Elvenrijk zijn gevlucht. Nou ben maar gerust hoor, wij hebben plek genoeg voor jullie, en ook voor deze kleine elf. Hoe heet hij?
‘Johan Alpinius…’zei Mariana.
‘Johan Alpinius?’ zei koningin Fabelia verbaasd en ook de oude Johannus kon zijn oren niet geloven.
Josikan vertelde wat er gebeurd was en de koningin en de oude Johannus luisterden aandachtig. Toen Josikan alles had verteld zuchtte de koningin diep.
‘Ik zal het bespreken met de andere elven, maar het mag duidelijk zijn dat ik heel erg boos ben op dat viertal. Kleine Johan en Alpinius, ik ben trots op jullie. En jij kleine Johan Alpinius, welkom in Elfjesland, samen met jouw ouders en groei op in vrede en geluk. Ik zal daar persoonlijk op toe zien,’ voegde ze er nog aan toe.
Vele jaren later, midden in de zomer is Johan Alpinius getrouwd met de kleindochter van koningin Fabelia, prinses Gabriëlla. En nu is het bijna weer kerstmis en Gabriëlla verwacht haar eerste elvenkindje. Alle elven in Elfjesland wachten gespannen af wanneer het elvenprinsje of elvenprinsesje zal worden geboren. Misschien komt het wel in de kerstnacht, net als Johan Alpinius.

   

Iedereen fijne feestdagen toegewenst en een goed en gelukkig 2016.... 

(de volgende aflevering van de tijdmachine van professor Knappebol verschijnt op vrijdag 8 januari 2016)  

 

 

 

WAS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.. 

(bij de kleurplaten staan Anistopera en Gompidee klaar om te worden ingekleurd, speciaal voor jullie gemaakt door Marloes  )

Heb je ook een idee voor ELFJE LIEF,stuur een email naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. ( een mooie tekening vinden we ook leuk en de mooiste zetten we op de website van Elfje Lief.)

 

WAS